Braint Taalgids menu

Woordvolgorde

De gebruikelijke woordvolgorde in een Nederlandse zin is: onderwerp + persoonsvorm + rest van de zin. Je hoeft niet altijd met het onderwerp te beginnen. Soms begin je met het werkwoord of met een ander deel van de zin. Het hangt ervan af welk deel van de zin je nadruk wilt geven. Regel is wel dat je niets tussen het onderwerp en de persoonsvorm zet.

Wat is de juiste woordvolgorde?

Voorbeelden woordvolgorde

Hieronder zie je een paar voorbeelden. De persoonsvorm is onderstreept en het onderwerp is roze.

Dit is de gebruikelijke woordvolgorde.

  • Hij woont in Amsterdam.
  • Het oude huis is afgebroken.

Als er een tijdsbepaling en een plaatsbepaling zijn, komt de tijdsbepaling als eerste.

  • Hij woont al drie jaar in Amsterdam.
  • Zij woonde bijna tien jaar in het oude huis.

Het is een vragende zin.

  • Woont hij in Amsterdam?
  • Breken ze dat andere huis ook af?

De zin begint met vraagwoord.

  • Wanneer komt hij naar Amsterdam?
  • Waar zijn de bewoners van dat oude huis?

De zin begint met tijdsbepaling.

  • Vanavond komt hij naar Amsterdam.
  • Vorige week zijn de bewoners verhuisd naar Utrecht.

De zin begint met plaatsbepaling.

  • In Amsterdam kent hij veel mooie plekjes.
  • Op de markt kwam ik de bewoners van dat oude huis tegen.

Woordvolgorde in samengestelde zinnen

Voor de woordvolgorde in een samengestelde zin (een zin die uit twee of meer zinnen bestaat) is het belangrijk of de samengestelde zin uit twee hoofdzinnen bestaat of een hoofdzin en een bijzin. Hieronder vind je een paar voorbeelden.

1. twee hoofdzinnen

Als een samengestelde zin een combinatie is van twee hoofdzinnen kun je de volgorde van de zinnen veranderen. De woordvolgorde in de zinnen zelf verandert dan niet.

  • Hij leest een boek en zijn broer kijkt televisie.
  • Zijn broer kijkt televisie en hij leest een boek.

2. hoofdzin en bijzin

Als de samengestelde zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin, zet je meestal de hoofdzin als eerste. Als je de hoofdzin achter de bijzin zet, verwisselen het onderwerp en de persoonsvorm van plaats.

  • Ze gaat naar het feest hoewel ze niet is uitgenodigd.
  • Hoewel ze niet is uitgenodigd, gaat ze naar het feest.

3. woordvolgorde in bijzin

In de bijzin zet je het werkwoord aan het eind van de zin. Als er een hulpwerkwoord in staat, zet je dit voor het voltooid deelwoord of de infinitief (= het hele werkwoord). De persoonsvorm is onderstreept en het andere werkwoord is roze.

  • Hij zegt dat hij zijn buurman goed heeft gekend.
  • Hij zegt dat hij goed kan voetballen.

De hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden mag je ook achter het voltooid deelwoord zetten.

  • Hij zegt dat hij zijn buurman goed gekend heeft.
  • Ze gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is.

Wil je hier meer over weten? Kijk dan hier Wat is het verschil tussen hoofdzin en bijzin?.