Braint Taalgids menu

Werkwoordspelling

In dit hoofdstuk vind je uitleg over de werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd en de verleden tijd en over de spelling van het voltooid deelwoord. Vaak kun je wel horen hoe je een werkwoord vervoegt, bijvoorbeeld in de zin: Hij loopt snel. In het werkwoord loopt hoor je dat de laatste letter een t is. Maar soms hoor je niet alle letters, bijvoorbeeld in de zin: Hij rijdt voorzichtig. In rijdt hoor je alleen maar een t als laatste letter. Je hebt de regels van de werkwoordspelling nodig om te weten dat je rijdt schrijft en niet rijt of rijd.

Schema werkwoordspelling

Een handig hulpmiddel is het schema met 5 stappen dat je kunt gebruiken bij het spellen van werkwoorden.

  1. Zoek eerst de persoonsvorm in de zin.
  2. Bepaal wat het hele werkwoord hiervan is.
  3. Maak de stam (ik-vorm) van het werkwoord.
  4. Kijk dan in welke tijd de persoonsvorm staat.
  5. Bepaal dan welke letter(s) er achter de stam komen.

Voorbeelden werkwoordspelling

Hieronder zie je een voorbeeldzin. Daaronder de 5 stappen van het schema.
- Je collega houdt je voortdurend aan de praat.

  1. Je vraagt: wat is de persoonsvorm?
    • antwoord = houdt
  2. Je vraagt: wat is hiervan het hele werkwoord?
    • antwoord = houden
  3. Je vraagt: wat is de stam van het werkwoord?
    • antwoord = houd
  4. Je vraagt: in welke tijd staat de persoonsvorm?
    • antwoord = tegenwoordige tijd
  5. Je vraagt: welke letter(s) schrijf je achter de stam?
    • antwoord = t, want het onderwerp is Je collega, dus stam + t = houdt

Tip: gebruik het werkwoord lopen: je collega loopt. Je hoort dan aan de uitspraak dat je er een t achter moet schrijven. Om de regels goed toepassen, moet je weten wat de stam van het werkwoord is. Hoe vind je de stam?

Werkwoordspelling oefenen

Wanneer schrijf je t, d, dt? In de online cursus werkwoordspelling oefenen kun je zelf aan de slag met 3200 oefenzinnen. Je krijgt er een gratis E-book bij waarin de regels nog eens duidelijk worden uitgelegd!