Taal op niveau met e-coaching menu

Braint Taalgids

Inleiding leestekens

Leestekens zijn punt, komma, puntkomma, dubbele punt etc. Je gebruikt leestekens om een tekst begrijpelijker te maken. Als je iets vertelt, kun je met pauzes, intonatie of gebaren duidelijk maken wat je bedoelt. In geschreven taal doe je dit met punten, komma’s, vraagtekens en andere leestekens.

Voorbeelden leestekens

Kijk bijvoorbeeld naar deze zin:

  • Joop vraagt Margriet ga je naar dat feest

Als je de bijpassende intonatie hoort, begrijp je meteen wat de spreker bedoelt, maar nu moet je raden: vraagt Margriet iets of vraagt Joop iets?

  • Joop vraagt: 'Margriet, ga je naar dat feest?'
  • 'Joop', vraagt Margriet, 'ga je naar dat feest?'

Je ziet dat de zinnen mét leestekens betekenis krijgen.

Overzicht 9 leestekens

Er zijn vijf leestekens die een pauze aangeven:

  • punt
  • komma
  • puntkomma
  • dubbele punt
  • gedachtestreepje

Daarnaast zijn er twee leestekens die een intonatie aangeven:

  • vraagteken
  • uitroepteken

Ook kun je gebruik maken van leestekens om woorden en zinnen heen:

  • haakjes
  • aanhalingstekens

Wil je hier meer over weten? Kijk dan bijvoorbeeld naar deze pagina. Wanneer gebruik je een vraagteken?