Braint Taalgids menu

Als of dan

Je gebruikt als en dan als je een vergelijking maakt tussen twee dingen. Je gebruikt als in een vergelijking tussen twee gelijke dingen. Je wilt dan de overeenkomst aangeven. Je gebruikt dan als je twee ongelijke dingen vergelijkt. In dit geval wil je het verschil benadrukken.

Voorbeelden met als

  • Ik ben net zo groot als mijn broer.
  • Ze is even oud als mijn dochter.
  • Onze boom is net zo hoog als die bij de buren.

Voorbeelden met dan

  • Ik ben groter dan mijn broer.
  • Maar hij weet meer dan ik.
  • Dit is een heel ander verhaal dan ik heb gehoord.