Taal op niveau met e-coaching menu

Braint Taalgids

Voorzetsels

Voorzetsels zijn woorden die je voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord kunt zetten. Samen vormen ze een zinsdeel. Bijvoorbeeld: op de tafel, in de klas, naar hem. Ook zijn er werkwoorden die een vast voorzetsel hebben. Bijvoorbeeld: zoeken naar, werken aan, vertrouwen op.

Lijst voorzetsels

aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder.

Voorbeelden voorzetsels

Hieronder vind je een aantal voorbeelden van voorzetsels en hoe je ze kunt gebruiken. De voorzetsels zijn roze.

  1. Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven:
    • Hij staat voor het huis.
    • Hij is in het huis.
    • Hij zit achter het huis.
  2. Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven:
    • Ik ben hier sinds vorige week.
    • Zij blijft hier tot morgen.
    • Hij begint per vandaag.
  3. Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven:
    • Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
    • Deze auto is van mij.
    • Ik ga liever zonder haar.

Splitsbare werkwoorden

Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die gekoppeld zijn aan een voorzetsel en die je kunt splitsen. Hieronder zie je een aantal voorbeelden.

  • instappen Hij stapt plotseling in.
  • aankloppen Hij belt al vijf minuten aan.
  • doornemen Hij neemt de papieren door.

Bijwoordelijke bepaling

Het zinsdeel dat een voorzetsel vormt met een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord is vaak een bijwoordelijke bepaling. Wat is een bijwoordelijke bepaling?