Taal op niveau met e-coaching menu

Braint Taalgids

Stam van het werkwoord

Je vindt de stam als je -en of -n van het hele werkwoord afhaalt. Wat je overhoudt, is de stam, bijvoorbeeld: fietsen = fiets. Er zijn werkwoorden waarin dit niet klopt: de stam van geloven = gelov ? Neem dan de ik-vorm: geloof.

Voorbeelden stam

Hieronder vind je een paar voorbeelden van werkwoorden met daarachter de stam.

  • lopen(ik) loop
  • doen(ik) doe
  • worden(ik) word

Stam op een v of een z?

De stam van een werkwoord kan eindigen op een v of een z. Als je de stam schrijft, verandert de v in een f en een z wordt een s.

  • verhuizen(ik) verhuiz = ik verhuis
  • verven(ik) verv = ik verf

Werkwoordspelling

Als je een werkwoord vervoegt, maak je eerst de stam van het werkwoord. Dan kijk je in welke tijd de persoonsvorm staat en bepaal je welke letters er achter de stam komen. Een handige regel daarbij is die van 't kofschip. Hoe gebruik je 't kofschip?