Taal op niveau met e-coaching menu

Braint Taalgids

Spelling, werkwoordspelling, grammatica, stijl, leestekens en zakelijk schrijven

Voorzetsels

Wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel is een woord dat voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord staat. Het vormt samen met een zelfstandig naamwoorden of een voornaamwoord een zinsdeel (op de tafel, in de klas, naar hem). Ook zijn er werkwoorden die een vast voorzetsel hebben (zoeken naar, werken aan, vertrouwen op).

Lijst voorzetsels

aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder.

Voorbeelden voorzetsels

Hieronder vind je een aantal voorbeelden van voorzetsels en hoe je ze kunt gebruiken. De voorzetsels zijn roze.

  1. Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven:
    • Hij staat voor het huis.
    • Hij is in het huis.
    • Hij zit achter het huis.
  2. Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven:
    • Ik ben hier sinds vorige week.
    • Zij blijft hier tot morgen.
    • Hij begint per vandaag.
  3. Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven:
    • Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
    • Deze auto is van mij.
    • Ik ga liever zonder haar.

Splitsbare werkwoorden

Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Hieronder zie je een aantal voorbeelden.

  • instappen
  • aankloppen
  • doornemen

Voorzetsels oefenen

Wil je oefenen met het vinden van voorzetsels en andere onderdelen van zinsontleding? Dat kan online met deze cursus: