"> Antwoorden voornaamwoorden – Braint Taalgids
Taal op niveau met e-coaching menu

Braint Taalgids

Spelling, werkwoordspelling, grammatica, stijl, leestekens en zakelijk schrijven

Antwoorden voornaamwoorden

Hieronder zie je de antwoorden van de vragen in de Taalgids. Ook staat er een stukje uitleg bij.

Terug naar de vraag

Antwoord betrekkelijk voornaamwoord

Het betrekkelijk voornaamwoord die in de tweede zin is fout. Je verwijst hier naar het telefoongesprek. Dit is een het-woord en daarom schrijf je dat:

Ik kom nog even terug op het telefoongesprek over de organisatie van de komende informatieavonden dat ik vanochtend met u had.

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord persoonlijk voornaamwoord

In de eerste zin staat een voornaamwoord dat verkeerd is gebruikt. Jouw is een bezittelijk voornaamwoord. Dit staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord. Je schrijft hier dus van jou.

In de tweede zin schrijf je inderdaad hun: je kunt er aan voor denken. Als er een voorzetsel voor staat, schrijf je hen: aan hen.

De derde zin kun je lezen als: mijn buurjongen is net zo ondeugend als zij (is).

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord bezittelijk voornaamwoord

Hun is hier fout. Je verwijst hier naar de baan van het personeel. Dit woord is een het-woord en daarom schrijf je zijn baan.

Regel: als je verwijst naar een het-woord gebruik je een mannelijk bezittelijk voornaamwoord. Uitzondering: als het woord verwijst naar iemand van het vrouwelijk geslacht, bijvoorbeeld: Het meisje speelt met haar nieuwe brandweerauto.

Tip: Als je lidwoorden in onze Braint Taalgids aanklikt, zie je waaraan je een vrouwelijk zelfstandig naamwoord kunt herkennen.

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord voornaamwoorden

Het onderstreepte woord in de tweede zin is fout. Je verwijst hier naar je reactie op mijn voorstel. Dit is een de-woord en daarom schrijf je deze/die.

Het onderstreepte woord in de eerste zin is goed: naar een het-woord verwijs je met een mannelijk bezittelijk voornaamwoord (zijn).

Ook het onderstreepte woord in de derde zin is goed: je schrijft hen als er een voorzetsel voor staat.

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord vragend voornaamwoord

In zin 3 is het onderstreepte woord geen vragend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord. Dit verwijst naar mensen in het algemeen: degene die vandaag ... .

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord aanwijzend voornaamwoord

In zin 1 is het onderstreepte woord geen aanwijzend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord. Het verwijst naar een woord dat eerder is genoemd (De man).

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord wederkerend voornaamwoord

In zin 3 is het onderstreepte woord geen wederkerend voornaamwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord. Hij waste niet zichzelf, maar iets/iemand anders.

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?



Terug naar de vraag

Antwoord onbepaald voornaamwoord

In zin 3 is het onderstreepte woord geen onbepaald voornaamwoord, maar een aanwijzend voornaamwoord. Het verwijst naar iets wat eerder is gebeurd.

Wil je nog meer voornaamwoorden oefenen?