Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

Voorzetsels

Een voorzetsel staat voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord.

Voorzetsels zijn:
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder

Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven:

  • Hij staat voor het huis.
  • Hij is in het huis.
  • HIj zit achter het huis.

Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven:

  • Ik ben hier sinds vorige week.
  • Ik blijf hier tot morgen.
  • Ik begin per vandaag.

Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven:

  • Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
  • Deze auto is van mij.
  • Ik ga liever zonder haar.

Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Een voorbeeld hiervan is instappen.


Bezoekers aan deze pagina bekeken ook:
Splitsbare werkwoorden
Verkeerde woordkeus

Vraag van de Week | Week 46

Ik vind die leestekens een gedoe. Je zet een punt achter een zin en als je in de zin een pauze hoort, is het tijd voor een komma, toch? Welke leestekens gebruik jij?

Naar de taalvraag