Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

Voorzetsels

Een voorzetsel staat voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord.

Voorzetsels zijn:
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder

Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven:

  • Hij staat voor het huis.
  • Hij is in het huis.
  • HIj zit achter het huis.

Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven:

  • Ik ben hier sinds vorige week.
  • Ik blijf hier tot morgen.
  • Ik begin per vandaag.

Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven:

  • Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
  • Deze auto is van mij.
  • Ik ga liever zonder haar.

Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Een voorbeeld hiervan is instappen.

Correct Nederlands

online cursus

Meer weten

Zakelijk Nederlands

online cursus

Meer weten

English Spelling & Grammar

online cursus

Meer weten

Zakelijk Engels

online cursus

Meer weten