Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

Preposiciones

aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder

Con la preposición se puede indicar un lugar:

  • Hij staat voor het huis.
  • Hij is in het huis.
  • HIj zit achter het huis.

Con la preposición se puede indicar el tiempo:

  • Ik ben hier sinds vorige week.
  • Ik blijf hier tot morgen.
  • Ik begin per vandaag.

Con la preposición se indica una relación:

  • Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
  • Deze auto is van mij.
  • Ik ga liever zonder haar.

Vraag van de Week | Week 38

Het plaatsen van leestekens in een opsomming blijft af en toe een gok. Twijfel jij ook weleens?

Naar de Taalvraag