Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

órden de palabras 2

La órden de las oraciones depende de los nexos. A veces se puede alterar la órden de las frases:

  • Hij leest een boek en zijn broer kijkt televisie.
  • Zijn broer kijkt televisie en hij leest een boek.

A veces puedes alterar la órden de las frases pero si la frase principal viene después del la oración auxiliar la forma verbal se cambia de lugar con el sustantivo.

  • Ze gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is.
  • Hoewel ze niet uitgenodigd is, gaat ze naar het feest.

Hay veces en que no es posible alterar la órden:

  • Hij werkt in de tuin, want het is lente.

En la oración auxiliar el verbo se encuentra al final de la oración. Si también hay un verbo auxiliar, se lo pone ante el participio o el indefinido.

  • Hij zegt dat hij zijn buurman goed kent.
  • Hij zegt dat hij zijn buurman goed heeft gekend.
  • Hij zegt dat hij goed kan voetballen.

Los verbos auxiliares hebben, zijn y worden también pueden colocarse después del participio.

  • Hij zegt dat hij zijn buurman goed gekend heeft.

Vraag van de Week | Week 47

Ik vind die leestekens een gedoe. Je zet een punt achter een zin en als je in de zin een pauze hoort, is het tijd voor een komma, toch? Welke leestekens gebruik jij?

Naar de taalvraag