Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

Konjunktion

Eine Konjunktion fügt zwei Sätze zusammen.

die Folgerung

  • Het is droog dus we kunnen gaan.

neutral

  • Hij leest een boek en zijn broer kijkt televisie.
  • Hij zegt dat ze naar Canada gaan.

der Gegensatz

  • Logeren vind ik leuk maar niet bij mijn tante.
  • Ze gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is.
  • Ondanks haar slechte resultaten, blijft ze optimistisch.
  • Hij treedt op ofschoon hij geen talent heeft.

in dem Moment

  • Hij stond achter het doel toen het doelpunt gemaakt werd.
  • Hij komt zodra hij klaar is.

die Wahl

  • Wil je koffie of thee?

der Grund

  • Ik drink koffie want dat lust ik graag.
  • Ik ga naar de film omdat ik daar zin in heb.

die Bedingung

  • Je mag naar huis als je klaar bent.
  • We gaan naar het strand mits het niet regent.

die Ursache

  • Ik kwam te laat doordat de brug open stond.

die Folge

  • Het heeft hard geregend zodat er overal plassen liggen.

danach

  • Ik doe het licht uit nadat ik de deur op slot heb gedaan.

der Zweck

  • Kom op tijd opdat we vroeg kunnen vertrekken.

ab

  • Sinds haar huwelijk voelt ze zich gelukkig.

das sei denn

  • We gaan naar het bos tenzij het regent.

zur gleichen Zeit

  • Ik schil de aardappels terwijl zij de groente schoonmaakt.

zuvor

  • Voordat ik naar bed ga, poets ik mijn tanden.

wann

  • Ik bepaal zelf wel wanneer ik naar bed ga.

Vraag van de Week | Week 47

Ik vind die leestekens een gedoe. Je zet een punt achter een zin en als je in de zin een pauze hoort, is het tijd voor een komma, toch? Welke leestekens gebruik jij?

Naar de taalvraag