Taal op niveau door e-learning en coaching menu
Braint Taalgids   Braint Taalgids

Konjunktion

Eine Konjunktion fügt zwei Sätze zusammen.

die Folgerung

  • Het is droog dus we kunnen gaan.

neutral

  • Hij leest een boek en zijn broer kijkt televisie.
  • Hij zegt dat ze naar Canada gaan.

der Gegensatz

  • Logeren vind ik leuk maar niet bij mijn tante.
  • Ze gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is.
  • Ondanks haar slechte resultaten, blijft ze optimistisch.
  • Hij treedt op ofschoon hij geen talent heeft.

in dem Moment

  • Hij stond achter het doel toen het doelpunt gemaakt werd.
  • Hij komt zodra hij klaar is.

die Wahl

  • Wil je koffie of thee?

der Grund

  • Ik drink koffie want dat lust ik graag.
  • Ik ga naar de film omdat ik daar zin in heb.

die Bedingung

  • Je mag naar huis als je klaar bent.
  • We gaan naar het strand mits het niet regent.

die Ursache

  • Ik kwam te laat doordat de brug open stond.

die Folge

  • Het heeft hard geregend zodat er overal plassen liggen.

danach

  • Ik doe het licht uit nadat ik de deur op slot heb gedaan.

der Zweck

  • Kom op tijd opdat we vroeg kunnen vertrekken.

ab

  • Sinds haar huwelijk voelt ze zich gelukkig.

das sei denn

  • We gaan naar het bos tenzij het regent.

zur gleichen Zeit

  • Ik schil de aardappels terwijl zij de groente schoonmaakt.

zuvor

  • Voordat ik naar bed ga, poets ik mijn tanden.

wann

  • Ik bepaal zelf wel wanneer ik naar bed ga.

Vraag van de Week | Week 38

Het plaatsen van leestekens in een opsomming blijft af en toe een gok. Twijfel jij ook weleens?

Naar de Taalvraag