Stappenplan |
Je kunt bij het spellen van de tegenwoordige en verleden tijd de volgende vragen stellen: |
|
Stap 1 vraag: uit hoeveel zinnen bestaat de zin? Stap 2 vraag: in welke tijd staat de zin met het invulwoord? Stap 3 vraag: wat is het hele werkwoord van het invulwoord? Stap 4 vraag: wat is de stam van het invulwoord? Stap 5 vraag: wat is de uitgang van het invulwoord? |
| Voorbeeld: |
| Hij meldde zich gisteren weer beter. |
|
Stap 1 De zin bestaat uit 1 zin. Stap 2 De zin staat in de verleden tijd Stap 3 Het hele werkwoord is melden Stap 4 De stam is meld Stap 5 De uitgang is de, want de stam eindigt op een d |
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. |





