Preface |
Spelling |
Style |
Sentence analysis |
Verbs |
Style again |
Word order 2 |
Conjunction |
Relative pronoun |
Prepositions |
Prepositions |
||
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder | ||
| A preposition helps you to define a location. | ||
| Hij staat voor het huis. Hij is in het huis. HIj zit achter het huis. | ||
| A preposition helps you to define time. | ||
|
Ik ben hier sinds vorige week. Ik blijf hier tot morgen. Ik begin per vandaag. | ||
| A preposition helps you to define a relation. | ||
|
Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt. Deze auto is van mij. Ik ga liever zonder haar. | ||
Wil je Nederlandse grammatica oefenen? Klik hier. | ||
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | ||





