nederlands turks duits russisch spaans engels

Konjunktion


Eine Konjunktion fügt zwei Sätze zusammen.
•   dusHet is droog dus we kunnen gaan.die Folgerung
•   enHij leest een boek en zijn broer kijkt televisie.neutral
•   maarLogeren vind ik leuk maar niet bij mijn tante.der Gegensatz
•   ofWil je koffie of thee?die Wahl
•   wantIk drink koffie want dat lust ik graag.der Grund
•   alsJe mag naar huis als je klaar bent.die Bedingung
•   datHij zegt dat ze naar Canada gaan.neutral
•   doordatIk kwam te laat doordat de brug open stond.die Ursache
•   hoewelZe gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is.der Kontrast
•   mitsWe gaan naar het strand mits het niet regent.die Bedingung
•   nadatIk doe het licht uit nadat ik de deur op slot heb gedaan.danach
•   ofschoonHij treedt op ofschoon hij geen talent heeft.der Kontrast
•   omdatIk ga naar de film omdat ik daar zin in heb.der Grund
•   ondanksOndanks haar slechte resultaten, blijft ze optimistisch.der Kontrast
•   opdatKom op tijd opdat we vroeg kunnen vertrekken.der Zweck
•   sindsSinds haar huwelijk voelt ze zich gelukkig.ab
•   tenzijWe gaan naar het bos tenzij het regent.das sei denn
•   terwijlIk schil de aardappels terwijl zij de groente schoonmaakt.zur gleichen Zeit
•   toenHij stond achter het doel toen het doelpunt gemaakt werd.in dem Moment
•   voordatVoordat ik naar bed ga, poets ik mijn tanden.zuvor
•   wanneerIk bepaal zelf wel wanneer ik naar bed ga.wann
•   zodatHet heeft hard geregend zodat er overal plassen liggen.die Folge
•   zodraHij komt zodra hij klaar is.in dem Moment
Wil je Nederlandse spelling oefenen? Klik hier.

Test je Nederlands met de Braint Taaltest!.