Woordvolgorde 2 |
De volgorde van zinnen hangt af van het verbindingswoord. Soms kun je de volgorde van zinnen veranderen. |
| Hij leest een boek en zijn broer kijkt televisie. Zijn broer kijkt televisie en hij leest een boek. |
| Soms kun je de volgorde van zinnen veranderen maar verwisselen persoonsvorm en onderwerp van plaats als de hoofdzin als tweede zin komt. |
| Ze gaat naar het feest hoewel ze niet uitgenodigd is. Hoewel ze niet uitgenodigd is, gaat ze naar het feest. |
| Soms kun je de volgorde niet veranderen. |
| Hij werkt in de tuin, want het is lente. |
| In de bijzin zet je het werkwoord aan het eind van de zin. Als er ook een hulpwerkwoord is, zet je dit voor het voltooid deelwoord of infinitief. |
| Hij zegt dat hij zijn buurman goed kent. Hij zegt dat hij zijn buurman goed heeft gekend. Hij zegt dat hij goed kan voetballen. |
| De hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden mag je ook achter het voltooid deelwoord zetten. |
| Hij zegt dat hij zijn buurman goed gekend heeft. |
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. |





