Voorzetsels |
||
Een voorzetsel staat voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord. | ||
| Voorzetsels zijn: | ||
| aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder | ||
| Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven: | ||
| Hij staat voor het huis. Hij is in het huis. HIj zit achter het huis. | ||
| Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven: | ||
|
Ik ben hier sinds vorige week. Ik blijf hier tot morgen. Ik begin per vandaag. | ||
| Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven: | ||
|
Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt. Deze auto is van mij. Ik ga liever zonder haar. | ||
| Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Een voorbeeld hiervan is instappen. | ||
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | ||





