nederlands turks duits russisch spaans engels

Voorzetsels


Een voorzetsel staat voor een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord.
 
Voorzetsels zijn:
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder
 
Met een voorzetsel kun je een plaats aangeven:
•   Hij staat voor het huis.
•   Hij is in het huis.
•   HIj zit achter het huis.
 
Met een voorzetsel kun je een tijd aangeven:
•   Ik ben hier sinds vorige week.
•   Ik blijf hier tot morgen.
•   Ik begin per vandaag.
 
Met een voorzetsel kun je een relatie aangeven:
•   Ik ga met mijn buurvrouw naar de markt.
•   Deze auto is van mij.
•   Ik ga liever zonder haar.
 
Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Een voorbeeld hiervan is instappen.
 


Wil je de voorzetsels online oefenen? Klik hier.

Test je Nederlands met de Braint Taaltest!.