Incongruentie |
||
Incongruentie 1 | ||
| Onderwerp en persoonsvorm moeten beide of in enkelvoud of in meervoud staan, bijvoorbeeld: | ||
| Een aantal jongeren misdroeg zich. | ||
| Een aantal is een enkelvoudig woord en de kern van het onderwerp. De persoonsvorm moet dus ook in enkelvoud staan. Bijvoorbeeld: | ||
| Maar twintig procent stemde voor. | ||
| Een groep kinderen zette de boel op stelten. | ||
| Het clubje heren was nog lang niet uitgepraat. | ||
| Meervoud/enkelvoudproblemen komen ook voor in foutieve samentrekkingen. Fout is: | ||
| De toets werd nagekeken en de resultaten bekend gemaakt. | ||
| Dit moet zijn: | ||
| De toets werd nagekeken en de resultaten werden bekend gemaakt. | ||
Incongruentie 2 | ||
| Een zelfstandig naamwoord kan vervangen worden door een voornaamwoord. | ||
| Het kind valt; het huilt | ||
| De commissie vergaderde; zij kon geen besluit nemen. | ||
| Welk voornaamwoord je kiest, hangt af van het geslacht van het zelfstandig naamwoord. | ||
| Onzijdige woorden worden aangeduid met het, dit, dat en (bezittelijk) zijn. | ||
| Wanneer gebruik je een mannelijk of vrouwelijk voornaamwoord? | ||
| Een vrouwelijk voornaamwoord gebruik je bij: | ||
| 1. Vrouwelijk personen en dieren: de leeuwin en haar prooi. | ||
| 2. Abstracte woorden: de liefde en haar impact. | ||
| 3. Woorden met de volgende uitgangen: | ||
| -ing, -ie,- ij, -heid, -teit, -a, -nis, -sis, -schap, -de, -te, -se, -theek, -age | ||
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | ||





