Hun of hen |
||
| Je gebruikt hun in de volgende gevallen: | ||
| Als bezittelijk voornaamwoord, bijvoorbeeld: | ||
| Ze hebben hun boeken niet op tijd ingeleverd. | ||
| Als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel, bijvoorbeeld: | ||
| De broer van zijn vader heeft hun een nieuwe fiets gegeven. | ||
| Je gebruikt hen in de volgende gevallen: | ||
| Als er sprake is van een lijdend voorwerp, bijvoorbeeld: | ||
| Ik ken hen goed. | ||
| Na een voorzetsel, bijvoorbeeld: | ||
| Piet ging met hen naar de film. | ||
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | ||





