nederlands turks duits russisch spaans engels

Betrekkelijk voornaamwoord


Een betrekkelijk voornaamwoord voegt twee zinnen samen en verwijst naar (heeft betrekking op) een eerder genoemd woord.
 
Die verwijst naar een de-woord
•   De trein die net vertrokken is, gaat naar Amsterdam.
 
Dat verwijst naar een het-woord
•   Het boek dat daar ligt, heb ik uitgelezen.
 
Je gebruikt wat na de volgende woorden:
•   alles wat, iets wat, weinig wat, niets wat, veel wat
 
Met wat verwijs je naar een hele zin:
•   Hij heeft mij niet gebeld, wat ik helemaal niet leuk vind.
 
En wat gebruik je na een overtreffende trap:
•   Dit is het leukste wat ik gezien heb.
 
Waar verwijst naar een ding, er staat een voorzetsel bij.
•   De kast waar ik mijn boek in leg is bijna vol.
 
Wie verwijst naar een persoon, er staat een voorzetsel bij.
•   De man met wie ik praat is mijn buurman.
 
Welke verwijst nooit naar personen
•   De agenda welke ik op tafel heb gelegd.
 
Welke wordt als ouderwets beschouwd. Tegenwoordig wordt die gebruikt.


Wil je het betrekkelijk voornaamwoord online oefenen? Klik hier.

Test je Nederlands met de Braint Taaltest!.