Betrekkelijk voornaamwoord |
||
Een betrekkelijk voornaamwoord voegt twee zinnen samen en verwijst naar (heeft betrekking op) een eerder genoemd woord. | ||
| Die verwijst naar een de-woord | ||
| De trein die net vertrokken is, gaat naar Amsterdam. | ||
| Dat verwijst naar een het-woord | ||
| Het boek dat daar ligt, heb ik uitgelezen. | ||
| Je gebruikt wat na de volgende woorden: | ||
| alles wat, iets wat, weinig wat, niets wat, veel wat | ||
| Met wat verwijs je naar een hele zin: | ||
| Hij heeft mij niet gebeld, wat ik helemaal niet leuk vind. | ||
| En wat gebruik je na een overtreffende trap: | ||
| Dit is het leukste wat ik gezien heb. | ||
| Waar verwijst naar een ding, er staat een voorzetsel bij. | ||
| De kast waar ik mijn boek in leg is bijna vol. | ||
| Wie verwijst naar een persoon, er staat een voorzetsel bij. | ||
| De man met wie ik praat is mijn buurman. | ||
| Welke verwijst nooit naar personen | ||
| De agenda welke ik op tafel heb gelegd. | ||
| Welke wordt als ouderwets beschouwd. Tegenwoordig wordt die gebruikt. | ||
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | ||





