Woordvolgorde |
De normale volgorde in een zin is: onderwerp + persoonsvorm + rest van de zin. |
| Hij woont in Amsterdam. |
| Je hoeft niet altijd met het onderwerp te beginnen. Soms begin je met het werkwoord of met een ander deel van de zin. Het hangt ervan af welk deel van de zin je nadruk wilt geven. Regel is wel dat je niets tussen het onderwerp en de persoonsvorm zet. |
| In een aantal gevallen komt eerst de persoonsvorm en dan het onderwerp (inversie). |
| Bij een vraagzin |
| Woont hij in Amsterdam? |
| Als de zin begint met een vraagwoord (wie, wat, waarom, wanneer). |
| Wanneer komt hij naar Amsterdam? |
| Als de zin begint met een tijdsbepaling. |
| Vanavond komt hij naar Amsterdam. |
| Als de zin begint met een plaatsbepaling. |
| In Amsterdam kent hij vele mooie plekjes. |
| Als de zin een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord heeft, staat het voltooid deelwoord achter in de zin. |
| Hij heeft drie jaar in Amsterdam gewoond. |
| Als in de zin een tijdsbepaling en een plaatsbepaling staan is de volgorde: eerst de tijdsbepaling en dan de plaatsbepaling. |
| Hij woont al drie jaar in Amsterdam. |
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. |





