Aanwijzend voornaamwoord |
|
Hieronder vind je uitleg over het aanwijzend voornaamwoord. |
|
| Een het-woord dat dichtbij is, wijs je aan met dit. |
|
| Dit kind zit naast me in de klas. | |
| Een het-woord dat ver weg is, wijs je aan met dat. | |
| Dat kind zit helemaal vooraan. | |
| Een de-woord dat dichtbij is, wijs je aan met deze. | |
| Deze man woont hier in de straat. | |
| Een de-woord dat verweg is, wijs je aan met die. | |
| Die man verderop in de straat gaat verhuizen. | |
| Deze en die gebruik je alleen bij een zelfstandig naamwoord. Dit en dat kun je ook los gebruiken. Het maakt dan niet uit of het enkelvoud of meervoud is. | |
| Dichtbij en enkelvoud | |
| Dit is mijn vriendin. | |
| Veraf en enkelvoud | |
| Dat is mijn nieuwe overbuurman. | |
| Dichtbij en meervoud | |
| Dit zijn mijn kinderen die nog thuis wonen. | |
| Veraf en meervoud | |
| Dat zijn mijn nieuwe buren. | |
Test je Nederlands met de Braint Taaltest!. | |





