nederlands turks duits russisch spaans engels

Tegenwoordige en verleden tijd


De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd.
 
tegenwoordige tijd
•   Jan gaat vandaag naar Parijs.
•   Ik werk op vrijdag altijd tot 13.00 uur.
 
verleden tijd
•   Jan ging vandaag naar Parijs.
•   Ik werkte op vrijdag altijd tot 13.00 uur.


Wil je tegenwoordige en verleden tijd online oefenen? Klik hier.

Test je Nederlands met de Braint Taaltest!.